politiek

Politiek

De realiteit leert dat nationale en lokale wetgevingen in veel gevallen niet volstaan of afwezig zijn ten opzichte van het vraagstuk mijnbouwproblematiek.

Internationaal zijn er echter wel een aantal bindende verdragen, ondertekend door de desbetreffende landen, waar wel beroep op kan gedaan worden. Een voorbeeld hiervan is de ILO-conventie ( International Labour Organization) 169 die stelt dat inheemse bevolkingsgroepen geconsulteerd moeten worden voordat een mijn intrede neemt. Ook het verloop van de exploitatie moet volledig in overeenstemming zijn met de bescherming van de behoeften van deze bevolkingsgroepen. Deze wordt vaak niet nageleefd. Ook de ILO ‘Convention on Safety and Health in Mines’ wordt vaak genegeerd. Deze streeft ondermeer de minimalisering van gezondheids- en veiligheidsrisico’s na en biedt de mogelijkheid om vakbonden op te richten.

Goudmijnbouw uit het Noorden in combinatie met zwakke lokale overheden resulteert maar al te vaak in omkooppraktijken en het negeren van internationale regelgeving. En dit vooral omdat kleine groepen hier de kans zien zich te verrijken.

Toch zien we mogelijkheden om op politiek en beleidsniveau veranderingen door te voeren. Nationale overheden en internationale gezagsorganen kunnen aan de vraagzijde iets veranderen: bij de consumerende landen kunnen zij eisen stellen op vlak van ethisch handel voeren en het stimuleren van duurzame alternatieven door bijvoorbeeld import-/exportheffingen en subsidies. Dit hangt af van hun doeleinden, ofwel stimuleren ze duurzame alternatieven, ofwel gaan ze het gebruik van onverantwoorde grondstoffen tegen. In de EU is het Raw Materials Initiative in 2012 aan een broodnodige update toe. Gezagsorganen hebben vaak duurzame handel in hun beleid opgenomen. In de praktijk wordt er echter nog al te vaak voorrang gegeven aan het veilig stellen van schaarse grondstoffen ongeacht de achtergrondinformatie betreffende ontginningsvoorwaarden.

Het middenveld en de publieke opinie zijn daarbij belangrijke machtsinstrumenten om deze overheden te beïnvloeden. In de huidige mondiale context kan het beleid vanuit het Noorden daadwerkelijk de situatie in het Zuiden verbeteren zonder het beleid in het Zuiden zelf aan te pakken. Tenslotte gaat het om bedrijven uit het Noorden die naar  het Zuiden trekken en daar activiteiten uitvoeren, die ze zelf niet in hun thuisland zouden kunnen uitvoeren zonder sociale of ecologische regels in acht te nemen.

Canada –waar 75% van de mijnbouwexploitaties en bedrijven in de wereld hun hoofdkantoor hebben- faalde hier op 27 oktober 2010 echter gigantisch in. Het Canadese parlement stemde tegen de ‘Bill c-300’, de ‘The Corporate Accountability of Mining, Oil or Gas in Developing Countries Act’. Hiermee voorkwam het parlement dat de Canadese mijnbouwbedrijven verantwoordelijk gesteld konden worden voor schendingen van mensenrechten en milieuverontreinigingen in het buitenland. Volgens de commissie ‘Prospectors and Developers Association of Canada’ zijn Canadese bedrijven schuldig aan de ergste schendigingen op internationaal vlak.

Het voorstel werd met 140 tegen 134 weggestemd.