DSC_6135

Verdrijving

Gemeenschappen worden van hun gronden verdreven waar ze al generaties lang (zij het niet eeuwenlang) op leven. Hoewel de natuurlijke rijkdommen van deze gronden enorm zijn, worden de volkeren vaak voor een spotprijs uitgekocht of met geweld en intimidatie verdreven van hun traditionele landen. Dit gebeurt doorgaans zonder dat zij een alternatief aangereikt krijgen.

Mijnbouwbedrijven proberen goedkope grond tegen relatief hoge prijzen te kopen. Het is voor deze bevolkingsgroepen vaak een pijnlijke keuze wanneer zij deze kans moeten aangrijpen terwijl ze eigenlijk om principiële en historische redenen op hun gronden willen blijven wonen. Als men ervoor kiest om niet te verkopen, voeren mijnbouwbedrijven mentale pressie uit op lokale gemeenschappen. Werknemers in de mijn worden ontslagen als hun familie de grond niet wilt verkopen, mensen worden met nachtelijke bezoeken lastiggevallen en bang gemaakt. Er zijn verder voorbeelden van mijnbouwbedrijven die starten met boringen op de terreinen van mensen die weigeren te verkopen. Hierdoor wordt de idee in de hand gewerkt, dat men beter het geld kan aanvaarden om later niet gedwongen te worden tot vertrek zonder iets voor hun grond te krijgen.

Het dorpje Palo Ralo in Honduras is hier een goed voorbeeld van. Het dorp werd gedwongen integraal te verhuizen. De bewoners kregen tot op de dag van vandaag geen vergoeding voor hun verloren land. Als de grondstoffen ooit uitgeput zullen zijn en het mijnbedrijf vertrekt, zullen zij niet kunnen terugkeren naar hun gronden, aangezien de vervuiling te hoog is.

Ook Cerro de Pasco in Peru is hier een schrijnend voorbeeld van: De open put bevindt zich in het midden van de stad  Cerro de Pasco en wordt dagelijks groter voor de exploitatie van zilver, lood en zink. Hiervoor moeten vele huizen ‘verdwijnen’ . Bij het uitbreidingsplan dat Volcan Companía, het mijnbedrijf dat actief is in Cerro de Pasco, nu aan het uitvoeren is (Plan L) zal ook de kerk en het marktplein verdwijnen. De enige oplossing die de bevolking ziet is de ‘verhuizing’ van de stad en dit zo snel mogelijk, want Cerro de Pasco is niet meer leefbaar. Maar wanneer dit zal gebeuren en wie dit zal financieren is nog een groot vraagteken. Het is in ieder geval duidelijk dat het mijnbedrijf weigert om dit te financieren.

De cases waarbij fysieke bedreigingen daadwerkelijk worden omgezet in fysiek geweld roepen de meeste verontwaardiging op. Diodora Antonia Hernandez Cinto werd op 7 juli 2010 in haar hoofd geschoten en voor dood achtergelaten door twee werknemers van de Marlin Mina in San Miguel Ixtahuacan, Guatemala. Na drie maanden ziekenhuis en een prothetisch oog overleeft zij de aanslag op een wonderbaarlijke manier. Señora Diadora weigerde haar land te verkopen aan het mijnbouwbedrijf. Het is niet de eerste keer in de geschiedenis dat het bedrijf zich schuldig maakt aan ernstig geweld. De daders werden geïdentificeerd en opgepakt om vervolgens weer snel vrijgelaten te worden.

Het probleem focust zich niet alleen op individuele overeenkomsten met de mijn over grond. In veel landen erkent de nationale regering inheemse bevolkingsgroepen niet. Zelfs als er een nationale wetgeving over bestaat, kiest de staat er in vele cases toch voor om de landrechten te verkopen aan mijnbouwexploitanten. Het schetst de dreiging en onmacht waarmee gemeenschappen te maken krijgen die op terreinen leven waarin veel goud voorradig is.