La Oroya mine (2)

Economische impact

Het leeuwendeel van de opbrengsten van een goudmijn gaat naar buitenlandse multinationals. Het is dan ook een illusie dat goudmijnen een katalyserende economische functie voor achtergestelde regio’s kunnen vervullen.

Werkgelegenheid?

De intrede van een goudmijn zorgt voor acute lokale inkomensverschillen en de verdrijving van families uit hun landen. De geringe werkgelegenheid die de mijn verzorgt, komt vaak slechts deels of helemaal niet ten goede van de lokale bevolking. In de zoektocht naar specifieke arbeidskwaliteiten belanden veel migrantenwerkers in goudmijnen. Daarbij trekt dit proces ook veel werkeloze gelukszoekers aan. De voornamelijk mannelijke migranten die ver weg van hun families in een goudmijn aan de slag gaan en de misfit met de lokale gemeenschap zorgen voor een kenmerkende problematiek rondom mijnbouw. Alcoholisme, drugsgebruik, huiselijk geweld en prostitutie zijn vaak voorkomende gevolgen.

Door de milieuvervuiling en de aantasting van ecosystemen is het vaak voor boeren onmogelijk om aan landbouw te doen zoals zij het gewend waren. De grond is er simpelweg minder geschikt voor en ze kunnen niet meer garant staan voor de kwaliteit van hun productie. Daarom zien ze hun afnemers dalen die wantrouwend staan tegenover de mogelijk vervuilde landbouwproducten.

Terwijl mijnbouwbedrijven pretenderen ontwikkeling te brengen binnen contexten van armoedebestrijding en economische groei, zien we juist de afhankelijkheidspositie groeien aangezien de traditionele systemen van zelfvoorziening omver worden geworpen. Gemiddeld genomen is er slechts voor 2,6% van de lokale bevolking arbeidsruimte bij mijnbouwprojecten. Peru is hiervan een duidelijk voorbeeld. In 2008 lag reeds 72% van het Amazonegebied onder concessie, terwijl slechts 1% van de lokale bevolking van Peru te werk werd gesteld in de mijnbouwsector.

Grondstoffenvloek

Verschillende economen bevestigen dat de afhankelijkheid van mijnbouw een slechte langetermijnstrategie is. Dit toont de theorie van de grondstoffenvloek aan. De grondstoffenvloek verwijst naar de paradox dat landen en regio’s met een overvloed aan natuurlijke hulpbronnen, voornamelijk niet-hernieuwbare hulpbronnen zoals mineralen en brandstoffen, de neiging hebben om minder economische groei en de slechtere ontwikkelingsresultaten te kunnen voorleggen dan in landen met minder natuurlijke hulpbronnen. Ontwikkelingslanden met dergelijke aanwezigheid van natuurlijke rijkdommen als ertsen en mineralen hebben te kampen met de meest langzame economische groeipatronen ter wereld. Veel grondstoffen betekent een hoge afhankelijkheid van export en weinig economische groei. De mijnbouwindustrie is ook niet stimulerend voor andere economische sectoren. Enkel de ruwe grondstof wordt geëxporteerd, de grootste economische waarde wordt elders toegevoegd met de daadwerkelijke processen van de verwerking en realisatie van een eindproduct.

Op nationaal niveau kunnen we ook nog spreken van het Dutch Disease effect. Als er door grondstoffenontginning veel buitenlandse deviezen binnenkomen zal de lokale munt in waarde stijgen. Hierdoor wordt de concurrentiepositie van een land verzwakt en nemen de exportmogelijkheden af, aangezien zij minder voordelig zijn. Mijnbouwprojecten zijn tijdelijk, een nationale economie wordt namelijk niet structureel opgebouwd door de temijnbouw. Als een mijnbouwexploitatie stopt, heeft een land te maken met een overgewaardeerde munt ten opzichte van de economie.

Wat brengt een goudmijn mee?

De goudmijnbouwindustrie werkt met één van de hoogst denkbare winstmarges. In tegenstelling tot bijvoorbeeld olie zijn er tal van cases waarbij de opbrengst voor de staat relatief nihil is. In Guatemala betaalt Montana Exploradora –eigenaar van de Marlin Mina- slechts één procent winstbelasting, waar zij over tien jaar een winst van twee miljard dollar verwachten. 70% van de 40.000 inwoners tellende gemeente rondom de mijn leeft onder de armoedegrens. De mijn zorgt volgens Comissión de Paz y Ecologia (COPAE) voor 300 arbeidsplaatsen.. Een gezamenlijke studie tussen COPAE en Unitarian Universalist Service Comittee (UUSC) berekende de kosten die de sluiting van de Marlin mijn met zich zou meebrengen. Hierbij hield het comité rekening met onder meer de herstelkosten voor de mijnsite en het grondwater. De kosten die de mijn achterlaat zouden neerkomen op 36 miljoen euro, de mijn heeft al een ‘herstelborg’ van 740.000 euro aan de staat afgegeven.

De kosten van de milieuvervuiling en sociale chaos zijn niet terug te vinden in de prijs van het goud dat men bij de juwelier kan vinden…